Test: Aprilia Tuono V4 1100 Factory

Uiterlijk heeft de Aprilia Tuono veel gemeen met de RSV4 waarvan hij afgeleid is. Er zit ook meer kuipwerk op dan op andere dikke nakeds. Vooral het windschermpje is groter dan wat we gewoon zijn. Het lijkt je uit te nodigen om je er bij hogere snelheden achter te proberen wringen. Een veeg teken aan de wand.

Uitrusting

De Tuono komt in twee versies, de RR en de Factory. De Factory heeft alles wat de RR heeft en voegt daar de racekont van de RSV4, Öhlins rondom, en ander schoeisel aan toe: Pirelli Diablo Supercorsa’s met een 200/55 achterband, terwijl de RR standaard op 190/55 Diablo Rosso III’s staat. Superpole Graphics is de exclusieve kleurstelling voor de Factory. Verder hebben beide modellen dezelfde, ontzettend complete uitrusting.

Het elektronicapakket is indrukwekkend. Zeg niet zomaar tractiecontrole, zeg “Aprilia Performance Ride Control”. APRC regelt niet gewoon een paar dingetjes maar zorgt voor heuse “assistentiestrategieën”: ATC (tractiecontrole, in 8 standen regelbaar tijdens het rijden via kleine flippers aan het stuur), AWC (wheelie control, instelbaar tijdens het rijden), ALC (launch control, enkel aan te raden op circuit), APL (pitlimiter, handig in stadsverkeer) en ACC (cruisecontrol).

Verder is er de instelbare, hellingshoekgevoelige race-ABS en kan je kiezen tussen drie motormappings (Sport, Track en Race). Het feit dat de basisinstelling “Sport” heet is ook een veeg teken aan de wand …

Dash

De instellingen van al dat lekkers wijzig je met een uit de kluiten gewassen knoppenwinkel aan de linkerkant en lees je af op het heldere TFT-scherm. Daarop zie je naast (uiteraard) snelheid en toerental ook de supercoole hellingshoekmeter. Maar in real time je hellingsgraad bekijken, daarvoor heb je gewoon geen tijd. Behalve wanneer hij op de zijpikkel staat: 12 graden hellingshoek!

Gelukkig kan je de Tuono aan je Lees verder

Advertenties

Test: Husqvarna Vitpilen 701

Drie jaar geleden presenteerde Husqvarna het prototype van de Vitpilen 701 op EICMA. Het was lang wachten op de productieversie. Op het Brusselse Auto & Moto Salon begin dit jaar was het liefde op het eerste gezicht. En nu kon ik eindelijk testen of deze Husky net zo goed rijdt als hij eruitziet.

Over smaak valt niet te twisten, maar toch, de Vitpilen is een beauty. Hij wijkt qua design erg weinig af van het conceptmodel en dat is vaak een goed teken.

“Simple. Progressive.” Dat is het motto van Husqvarna voor de Vitpilen lijn (waarvan naast de 701 ook de 401 deel uitmaakt). Het ontwerp is er in ieder geval naar: progressief en uniek in motorland. Let op de vreemde vorm van de tank. Of op “the split”, de gele lijn die de motor als het ware in twee snijdt. De ledlampen, zowel voor- als achteraan, zijn designpareltjes en logo’s sieren her en der de motor zonder storend te zijn.

Jammer dat ze er zo’n GS-achtige nummerplaathouder op gezet hebben. En hoe cool zou hij geweest zijn met de open luchtfilterkast van het concept?

Na het rondje kwijlen is het tijd om te gaan rijden. Daar is geen uitleg voor nodig want op de kleine, ronde teller staan welgeteld drie knoppen. Hiermee kan je het menu instellen en de ABS en tractiecontrole uitzetten. Simpel. Ook de kroonplaat past volledig in het concept: strak vormgegeven, zonder dat er iets in de weg zit, met het contact er rechtstreeks in verwerkt.

Wanneer je opstapt valt het op dat de Vitpilen hoog zit. Een punt om rekening mee te houden. De zithoogte is met 830 mm al behoorlijk, het zadel is ook nog eens Lees verder

Madeira op de moto

Madeira. Een Portugees eiland dat ten westen van Marokko ligt, zo’n 500 km boven Tenerife. Werp één blik op de kaart van dit kleine eiland (50 km lang, 20 km breed) en je ziet meteen dat er amper wegen zijn die rechtdoor lopen. Bovendien rijzen de bergen er tot 1800 meter hoog. Dat vraagt gewoon om bereden te worden! En dus huur ik op de vrije dag tijdens mijn wandelvakantie een Honda CB500X en trek eropuit.

Dat huren doe ik bij 4&2 Wheels Rent. Daniel Pita baat in Funchal een verhuurwinkel uit met scooters, auto’s en moto’s. Hij biedt naast maxiscooters de keuze uit enkele Benelli’s BN302 en een paar Honda’s CB500X. Ik kies die laatste. Een moto huren kan enkel voor 2 dagen en dus betaal ik de prijs van twee voor één: 85 euro met een waarborg van 250 euro. Snel papierwerk afhandelen, helm uitkiezen, en omstreeks half tien kan ik vertrekken.

Ik had de avond voordien op Google Maps grofweg een route uitgestippeld: een liggende 8 over heel het eiland. Dat viel uiteindelijk even anders uit, maar daarover later meer.

Het eerste stukje gaat van Funchal in het zuiden over de autostrade tot Ribeira Brava. Daar neem ik de ER222 verder westwaarts. Die kronkelt parallel aan de oceaan langs de bergwanden door bananenvelden. Veel exotischer kan haast niet. Iets hoger zijn de eerste wijngaarden te zien die de druiven leveren voor de bekende madeira-wijn.

Ter hoogte van Madalena do Mar draai ik de ER209 op. Die gaat soms behoorlijk steil omhoog (ik zie bordjes die 32% aangeven) richting centrum van het eiland. De vegetatie op Madeira verandert razendsnel en op enkele kilometers doorkruis ik zowel dichte eucalyptusbossen als naaldbossen, die op hun beurt plaats maken voor lage brem-achtige begroeiing. Even snel als de bomen verdwijnen, verdwijnen bovenop het plateau van Paul de Serra de bochten. Een kaarsrechte weg snijdt door de centrale hoogvlakte. Lang duurt dit niet, speciaal is het wel.

Ik kruis de ER110 en vervolg de ER209 richting het noordwesten. Dit blijkt achteraf een van mijn favoriete stukken te zijn: een perfect asfaltlint kronkelt vloeiend verder om hoe langer hoe meer bochten te bevatten. Eenmaal ik de afdaling naar Porto Moniz inzet, verslechtert het asfalt, nemen de haarspeldbochten toe en duik ik de mist in. De temperatuur zakt meteen een tiental graden en ik heb het zowaar fris.

Porto Moniz is een bekende stopplaats voor toeristen omwille van de natuurlijke vulkanische zwembaden. De zee spoelt er geregeld over de rand van het bad. Ik pauzeer hier om een snelle hap te eten.

Reden voor dat snel snel is omdat Lees verder

Test: Ducati Multistrada 1260 S Touring

Het eerste wat me opvalt wanneer ik naast de Ducati Multistrada 1260 S Touring sta is hoe imposant hij is, met zijn hoge schouders, ranke taille en brede heupen. Volgens sommigen is dit de mooiste Ducati ooit. Of hij ook de béste Ducati ooit is ging ik uitzoeken tijdens een lang weekend in de Eifel.

Des gouts et des couleurs

Ik loop er een paar keer rond. Een opvallende verschijning is het wel. Boordevol stijlelementen die onmiskenbaar Multi zijn: de opvallende lichten boven de luchthappers die als neusgaten in de snavel zitten, het prachtige achterlicht dat er vanuit iedere hoek anders uitziet, de fraaie enkelzijdige achterbrug.

De Multistrada 1260 S onderscheidt zich van de S-loze 1260 door zijn uitgebreidere uitrusting. De Skyhook Evo ophanging, quickshifter, TFT-display, LED-lampen en cornering lights komen erbij, uiteraard tegen een meerprijs.

Het grijs van mijn testexemplaar vind ik een bijna saaie kleur. De rode vind ik een pak mooier. En helemaal geil wordt het in de Pikes Peak uitvoering. Smaken verschillen, zeker?

Wanneer ik het contact aanzet verschijnt een bloedrood Ducati logo op het 5” TFT-scherm. Er staat enorm veel informatie op het dashboard. De snelheid en gekozen versnelling worden door joekels van cijfers weergegeven, het toerental wordt over de volledige breedte van het scherm uitgesmeerd en de gekozen mapping is duidelijk af te lezen. Maar voor de rest is het zoeken. Links staan tripgegevens, temperatuur, verbruik en het menu, in het midden de tankinhoud, en rechts de stand van de elektronisch verstelbare vering en de instellingen van de rijmodi. Allen worden redelijk klein weergegeven in het onderste deel van het dashboard.

Bij een druk op de startknop lijkt er heel even niets te gebeuren. Maar dan schudt de dikke Testastretta DVT twin zich wakker. Een schudden dat trouwens altijd aanwezig is, in meer of mindere mate.

Een bescheiden roffel rolt uit de dubbele uitlaat. Al na de eerste meters blijft van dat initiële imposante gevoel niets meer over. Dankzij een compacte ergonomie waarbij het stuur niet te breed is en dicht naar je toe staat, lijkt het alsof je met een veel kleinere motor op pad bent. Sturen gaat lichtvoetig en de grote Multistrada is verrassend wendbaar. Dat geeft meteen veel vertrouwen.

Onvrijwillige muilezel

Bij het inladen voor het weekend blijkt al snel dat ik geen fan ben van de zijkoffers die worden geleverd bij de Touring versie. Ze passen mooi bij het geheel van de Multistrada en er gaat ondanks de grillige vorm best veel in, maar de zijkoffers laten zich moeilijk monteren en iets minder moeilijk demonteren. De topkoffer zal er zelfs het volledig weekend niet afgaan wegens muurvast*.

Wel zo handig voor de rest van de groep want ik speel het hele weekend voor muilezel. Geen enkel probleem op deze Duc die geen last heeft van een kilootje bagage meer of minder. Het deksel van de topkoffer sluit ook niet volledig af, waardoor er na een stevige bui enkele druppels water in zitten.

Elektronica-overvloed

En dan zijn we weg. Eerst 150 km over de snelweg. Tijd zat om met de elektronica te spelen. Ik vind cruisecontrol zowat de beste optie die je kan nemen en die op de Multistrada werkt feilloos. Hier kunnen zelfs veel automerken nog een puntje aan zuigen. Zonder enige aarzeling neemt hij iedere keer weer op, in eender welke versnelling.

Verder zijn er naast riding modes (Sport, Touring, Urban en Enduro), power modes, elektronisch instelbare vering en een quickshifter ook een heleboel drieletterafkortingen: VHC (aka hellingsrem), ABS en DTC (beide met hellingssensor), en DWC.

Alles wat je maar kan bedenken zit er dus op. En: alles werkt ook gewoon goed. Verschillen in de rijmodi zijn duidelijk voelbaar. Zelfs de layout van het TFT-scherm wordt subtiel aangepast bij iedere modus. ABS en DTC zijn erg fijn afgeregeld waardoor ze nooit bruusk tussenkomen. Een kleine stoppie wordt in Sportstand zowaar toegelaten. En de leukste afkorting is DWC oftewel Ducati Wheelie Control: gas open en wheeliën maar. Al had die iets minder conservatief mogen zijn voor de hooligans onder ons.

Bochten iemand?

Wanneer we de Eifelbochten induiken schakel ik over van Tour naar Sport. De gasrespons wordt Lees verder

Wheelies voor dummies

Vraag eender welke motorrijder wat de coolste motortruc is die je kan doen en de kans is groot dat je “een wheelie!” als antwoord krijgt. Naast de show stelen kan een beheerste wheelie ook nuttig zijn om te weten hoe te reageren als je voorwiel los komt bij hard accelereren of om bijvoorbeeld een obstakel te overwinnen tijdens een endurorit.

Ik wil al lang kunnen wheeliën en dus ging ik op wheelietraining bij de Stunt and WheelieSchool van Jeremy Vonk.

De Stunt and WheelieSchool werd pas vorige zomer opgericht en was van meet af aan een groot succes. Reden hiervoor is dat ze een volledig pakket aanbiedt dat nergens anders te vinden is: een gerespecteerde naam in de stuntwereld als lesgever, huurmotoren zodat je je eigen motor niet hoeft te misbruiken én het gebruik van een “Wheelie Safety Device” waardoor je niet op je gezicht of achterste valt mocht het misgaan.

Bij aankomst staan twee KTM 390 Dukes netjes naast elkaar te wachten op het vliegveld van Enschede. Het meest valt dat Safety Device op: een soort frame op drie wieltjes dat achter de motor gemonteerd is. Dat zorgt ervoor dat de motor niet zijdelings kan vallen en dat je de motor bij een wheelie ook niet achterover kan trekken. Wel zo veilig.

Eerst wordt de juiste zithouding uitgelegd: beetje naar achter zitten, twee vingers op de koppeling, vingertje gestrekt op de voorrem, knieën stevig tegen de tank klemmen, enkels tegen de motor drukken en vooral je voet altijd op de achterrem houden. Dit wordt er gedurende de gehele dag ingedrild. Nu nog leren hoe je de tractiecontrole afzet en dan beginnen we meteen aan de eerste oefeningen.

Wybe, collega-instructeur van Jeremy, doet ze voor. Op twee wielen rechtdoor rijden, goed gas geven en dan vertragen door enkel de achterrem te gebruiken zonder het achterwiel te blokkeren. Klinkt poepsimpel maar door dat veiligheidsframe stuurt de motor niet als een motor. Sturen doe je zoals op een quad en dat is voor de ene al wat lastiger dan de andere.

De volgende oefening is Lees verder

Voer voor bochtenvreters: de Sierra Nevada

Van valse bescheidenheid kan je Clubmot niet beschuldigen. “Minstens 1000 bochten per dag” kondigden ze voor hun reis naar de Sierra Nevada aan. Dat beloofde. Dubbel zelfs. Want in februari presenteerde Triumph er z’n nieuwe Speed Triple – een bochtenpikker pur sang – aan de Europese pers. En dus ging ik mee.

Het motto van Clubmot voor deze reis is “go your own way”. Tijdens de meet-and-greet zes weken voor afreis werd het geregeld herhaald: “Trek je plan! Wij zijn geen reisbegeleiders!”. Beetje vreemd misschien, maar ter plekke bleek dit een ideale formule. Ik had nooit het gevoel op een klassieke groepsreis te zijn en dat is maar goed ook.

Wél had Clubmot voor iedere dag twee routes voorzien. Een korte van ongeveer 240 km en een langere van minstens 300 km. En twee allroadroutes. Plus nog twee alternatieve routes. In totaal goed voor meer dan 4000 km bochtenplezier. Keuze zat om je plan mee te trekken.

Storm

Na een wel héél vroege vlucht landden we in het – toen nog – zonnige Almeria. De bus bracht ons in een half uurtje naar het hotel in Roquetas de Mar, op een steenworp van het strand. Daar stond m’n Tiger 800 XCa me al op te wachten. Die werd de voorbije week, samen met de 55 andere motoren voor 73 reizigers, hierheen gebracht. Twee vrachtwagens vol, die in amper twee weken volledig volzet waren. Van een succesformule gesproken.

Die eerste dag werd door de meesten niet meer gereden. Na de middag was het stevig beginnen waaien en tegen de avond raasde een heuse storm over het hotel. Mét gevolgen. Een van de moto’s werd omvergeblazen. Einde reis, want de gebroken schetsplaat viel niet te lassen wegens gemaakt uit een of ander exotisch gietmetaal, en wachten op een nieuw stuk zou een viertal dagen kosten. De eigenares bleef er bewonderenswaardig cool bij en speelde de rest van de week voor duo.

Rondjes op het circuit van Almeria

Na al dat onheil, eindelijk de eerste echte rijdag. Wij vertrokken met zijn vijven rond half tien. Lunchpakket meegrissen en vámonos!

Om van het hotel aan de voet van de Sierra Nevada te raken, moesten we telkens een vijftiental kilometers dwars door eindeloze serres rijden. De Costa de Almería is dé moestuin van Europa. Werkelijk de hele omgeving – zo’n 30.000 hectaren – staat bomvol plastieken serres, de grootste concentratie ter wereld. El mar de plastico zou de rest van de week bij ons minachtend bekend staan als “den plastiek”.

De route passeerde langs Oasys Park, een fictief westerndorp waar bekende films als The Good, the Bad and the Ugly werden gedraaid. Michèle, Thierry en ikzelf besloten een bezoek aan ons voorbij te laten gaan en we reden met drie verder tot we eindelijk de eerste bochten voor de wielen kregen. Met het aantal bochten stegen ook de hoogtemeters en dat was eraan te voelen. “Ga naar Zuid-Spanje,” zeiden ze. “Daar is het warm om te rijden,” zeiden ze. Mooi niet dus. De koudegolf die heel Europa in zijn greep hield was tot hier voelbaar. Gelukkig lag het er droog bij.

Om 13 uur werden de liefhebbers aan het Circuito de Almeria verwacht, de enige vaste afspraak van de hele week. Hier scheen zelfs een zonnetje. Wie dat wou kon voor 10 euro drie ronden in groep rijden over het 4,2 kilometer lange circuit. Het tempo was gezapig maar leuk was het wel. Dit doe je niet iedere dag.

Daarna reden we over de AL-102 terug richting Almeria, een schoolvoorbeeld van de Andalusische wegen: vloeiende bochten van perfect asfalt door een prachtige omgeving. Genieten! Onderweg kregen we enkele buitjes te verwerken en tijdens het laatste stuk richting hotel viel de regen met bakken uit de hemel.

La Calahorra

Voor de koninginnenrit richting Granada vertrokken we een uur vroeger. We kozen de korte rit: meer bochten en minder autostrade dan de lange. Nu, wat heet kort? Met 344 km zou het een hele kluif worden.

Opnieuw dwars door de Sierra Nevada ging het tot aan het kasteel van La Calahorra. Daar stuurde de route ons het dorp in. Maar ik had thuis gezien dat aan de andere kant een zandweg omhoogliep naar het kasteel. Dat kon ik niet laten liggen! Bij de aanvang van dit stukje offroad sloten drie medereizigers op GS’en bij ons aan. Een paar haarspeldbochtjes later konden we genieten van het prachtige zicht rondom en hadden we – op een paar lokale toeristen na – het volledige kasteel voor ons alleen. Picknicken naast de motoren en snel weer weg, vooraleer we het echt koud kregen.

Het was al na de middag toen we Granada passeerden en het wereldberoemde Alhambra lieten we dan ook aan ons voorbij gaan. Geen tijd voor een bezoek. Toen iets verder de gps aankondigde dat de volgende afslag pas na een dertigtal kilometers van onafgebroken bochten was, mocht het tempo omhoog. We zouden elkaar aan het einde wel terugzien.

Het was op de heerlijke A-4131 dat ik het stel lichten van een FZ1 gestaag Lees verder

Op trialtraining bij een 10-voudig trialkampioen

Vorig jaar hadden Jean en ik ons kostelijk geamuseerd op de trialinitiatie van Clubmot. De beslissing was dan ook rap genomen toen een van mijn motorgekke vrienden liet weten dat er nog plaats was voor een trialdagje bij Alex van den Broek in Breda. Inschrijven! En wel onmiddellijk!

Maar euh … wacht eens even. Die Alex van den Broek, die werd toch meer dan tien keer Nederlands trialkampioen? En daar gaan wij les van krijgen? Jemig. En trialen in het midden van januari? Een beetje geluk met het weer moet je dan wel hebben.

Dus vorig weekend stonden we er, op het terrein van MSC Breda. Neen, het regende niet. Ja, het was koud. Maar van trialen krijg je het warm. Ideaal dus.

Vijf Montesa trialbrommers stonden ons netjes op een rij op te wachten. Viertaktjes, van 250 en 260 cc. We waren uiteindelijk met z’n tienen, dat werd dus afwisselend de oefeningen doen.

Bij een warme kop koffie in een eveneens warme container achteraan op het terrein handelden we eerst het papierwerk af en gaf Alex een korte inleiding tot deze – in zijn woorden – “trial cursus training clinic”.

Daarna konden we eindelijk aan de slag. De hele dag zou Alex eerst alles uitleggen en voordoen. Vervolgens was het aan ons, en stuurde Alex bij waar nodig. Op een manier die heel begrijpelijk was. En hij nam er zijn tijd voor.

We begonnen met wat heen en weer rijden. Rechtstaand uiteraard, want die dingen hebben geen zadel. Voor de vrienden met wat enduro-ervaring geen al te grote stap, voor de newbies al meteen best lastig.

Toen iedereen dit een beetje onder de knie had, werden de kegels bovengehaald. Lap, weeral achtjes draaien of wat? Altijd maar weer achtjes draaien, bij eender welke cursus of opleiding die je volgt. Maar het dient gezegd: het is en blijft de perfecte basis om een motor te leren beheersen. En op zo’n trial is het echt wel leuk. Achtjes, een korte zigzag, over een plank rijden. Bij de ene lukte het al beter dan bij de andere. En de individuele tips van Alex hielpen enorm. Je merkte meteen dat wanneer je dat binnenste been strekte, je bocht inderdaad een pakje korter kon. Tof!

De voormiddag sloten we af met een rondritje over het terrein. Als kuikentjes achter moeder Alex aan. Het eerste rondje nog makkelijk. Al was die eerste keer in de lengte over een dikke treinbiels rijden best spannend! Het tweede en derde rondje waren iets uitdagender Lees verder